“Leon!” riep ik, maar er kwam geen antwoord. Ik snapte er helemaal niets van, net liep hij nog achter me, al pratend over hoe geweldig hij was terwijl hij die gore pinda’s at. De zon scheen een beetje wazig tussen de boom toppen door en ik liep maar door, door de bladeren zonder enig idee waar ik heen liep. Niet dat ik bang was, maar ik snapte eerder niet hoe Leon zomaar weg kon zijn en hoe de néuk dit bos er opeens was verschenen uit het niets. Het leek eindeloos. Terwijl ik een heuvel op liep fantaseerde ik over hoe Leon aangevallen was door tientallen eekhoorns die het op zijn pinda’s gemunt hadden, hoe hij had gesmeekt aan een paar kabouters hem te helpen en éindelijk zijn egocentrische karaktertje aan de kant had gezet.
Je moet weten dat Leon eigenlijk helemaal geen vrienden heeft, ik weet ook niet of je mij als een goeie vriendin moet beschouwen, daar ben ik nog niet helemaal uit. Waarschijnlijk komt het door zijn té zelfverzekerde gedrag, het stoot mensen af of zo iets. Ik heb er ook een hekel aan, maar ik denk dat Leon helemaal niet zo zelfverzekerd is en dat het allemaal een toneelstukje is met de vraag voor aandacht. Best triest als je het zo bekijkt. Maargoed.
Die fantasie duurde niet lang tot dat ik me realiseerde dat geen enkel levend en ‘normaal’ wezen die pinda’s zou eten. Ik keek om me heen, er waren niet eens dieren in het bos.”Leee-on!” riep ik weer, ik draaide me om “Leon?!”.
Leon was er niet meer, niemand was hier. Toen begon ik me dingen af te vragen, terwijl ik me op een vochtige boomstronk liet vallen en een van me laatste sigaretten op stak dacht ik dat dit gewoon níet kon. Ten eerste kon dit bos niet zo groot zijn zoals het er uit zag, de snelweg buiten het hek was veel te groot en er stonden te veel huizen aan de rand van het bos die zelfs grotere tuinen hadden dan waar ik nu was beland. Ik keek omhoog en zag dat er grote paarse bloemen in de bomen groeide, gefascineerd door de bloemen schrok ik op van gekraak van takken. Ik stond op “Leon! hier ben ik!”, het was vast Leon die eindelijk had bedacht mij te zoeken. Toen de bladeren van een struik begonnen te ritselen wist ik het bijna zeker, vandaar dat ik zó verbaast was toen er een klein rond mannetje onder de struik vandaan kwam. Misschien zouden sommige mensen schrikken en opspringen en wegrennen, of het beest slaan met de eerste beste stok die ze konden vinden maar ik had het gevoel alsof ik het gewend was. Dat gevoel maakt me best wel in de war, soms. Hij leek me helemaal niet te zien of te horen en liep zelfverzekerd naar een plas met regenwater en begon zichzelf erin te bekijken. Eerst zijn voorkant, toen zijn achterkant doormiddel van zijn ‘hoofd’ zo te draaien dat ik er even in de war van was, nog wel meer in de war van het feit dat het mannetje rond was. Toen hij zich weer terug draaide leek hij me nog steeds niet op te merken toen hij hopeloos in de plas met water sprong en vervolgens over de grond begon te rollen met zijn knieën in zijn armen geklemd, alsof hij vreselijke pijn had. Het viel me nog op hoe rustig ik bleef, verdwaald in een vaag bos, Leon was weg – gelukkig wel met die verdomde pinda’s van hem- en er was nog geen 20 seconden geleden een rond figuur uit de bosjes aan komen zetten die nu depressief over de grond aan het rollen was. Ik trapte mijn peuk uit op de grond en net toen ik even hartstochtelijk wilde zuchten – in de hoop het wezentje zijn aandacht te trekken- merkte ik dat het mannetje al helemaal rechtop stond en me vreselijk boos aankeek. “ Doe dat eens even niet” schreeuwde hij in mijn gezicht. Ik had zijn stem totaal niet zo jongensachtig verwacht. Nu viel ook zijn vreselijk grote neus op, ik had een soort van medelijden met hem. “Ehh ik-”
“ Je hebt vieze gewoontes!” ging hij verder, “ Kijk nou was je doet!” en hij wees met zijn handje dat trilde van de inspanning naar de volgende sigaret die ik wilde aansteken.
Ik keek er een beetje onnozel naar en had helemaal geen zin in het gezeur van een rond mannetje over mijn “gerook”.Dus ik stak hem op en zei “ Sorry ik ben verdwaald en gestresst en ik weet even niet wat ik anders moet doen.” Het mannetje keek me iets van vijf seconden lang aan en liet zich toen ook op de grond vallen en ging comfortabel zitten in de blaadjes. Stom ding, hij was zo klein en kon makkelijk lekker zitten en ik zat op een vochtige boomstronk. Toen begon hij weer te praten. “Je doet jezelf al genoeg aan.”
“Pardon?”
“Nou kíjk dan zélf!” hij wees nu naar de uitgetrapte sigaret op de grond. Ik raapte het op en gooide het in mijn tas. “Beter?”
“Nee natuurlijk niet, jeetje, je bent nog dommer dan ik dacht.”
“Hoezo ‘dacht’?” Nu brak mijn klomp, ik draag geen klompen hoor, maar je begrijpt het wel.
Het mannetje sprong op en kwam naast me zitten op de boomstronk, hij rook naar pinda’s.
“Zo te horen snap je er echt niets van”
“Mag ik weten hoe je heet?” vroeg ik.
“Ik heb geen naam”
“Repelsteeltje zeker, nee kom op hoe kan ik nou fatsoenlijk met je praten als ik niet een weet wat je naam is?, hoe heet je?”
“óf je geloofd gewoon dat ik geen naam heb, namen zijn nutteloos.”
Ik keek naar het mannetje, hoe hij daar zat, op ze gemak een potje rond te zijn. Ik vroeg me af of dit serieus was.
“Weet je waar ik ben?”
“Je maakt een grapje zeker”
“Ik ben niet zo in voor grapjes vandaag” zuchtte ik en staarde naar mijn lege pakje sigaretten. Ik dacht aan die flauwe grappen die Leon vandaag had gemaakt over hoe hij zoveel meisjes kon krijgen en maar zijn eigen “Huur Leon” bedrijf moest beginnen en hij zó veel zou verdienen. Ik hou niet van die grapjes, ze zijn niet grappig en zo afgezaagd. Leon zat er vol van, ik zweer het je dat het aan die verdomde pinda’s ligt.
“Als je weg wil ga je maar gewoon weg hoor”
“ Hoe in gódsnaam?”
“Het hek misschien?” zei hij arrogant en wees naar het hek die ik net nog niet had gezien.
Terwijl ik opstond en aanstalten maakte aar het hek te lopen bleef die vraag maar steken, ik draaide me om. Waar was ik?
“Dus je hebt heen naam, en je wil me niet zeggen waar ik ben?”
“Ik dacht dat je dat wel wist..”
“Blijkbaar niet” Er viel een paarse bloem uit de boom en het mannetje raapte hem op, hij rook er aan. Ik had geen zin om nog te wachten op een antwoord waar ik toch niet veel aan zou hebben en ik deed het hek open.
“ Tot Snel!” riep het mannetje en gooide – met een heleboel kracht voor een mannetje van een halve meter groot wat ik totaal niet had verwacht. Ik ving de bloem en keek hoe het mannetje weg wilde lopen.
“Waar ben ik nou?!” riep ik hem nog na. Ik hoorde niets, net voordat het hek dichtviel hoorde ik nog iets roepen. Iets wat veel weg had van “ Je bent je zelf!”